vrijdag, mei 24, 2024
LvsOnderwijs

Referentieniveaus taal en rekenen


De referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen schrijven voor wat leerlingen moeten kennen en kunnen vanuit het onderwijs.
De referentieniveaus gelden voor het basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (mbo).
Alle niveaus samen vormen het kader voor taal en rekenen. Dit kader vormt de basis van het onderwijs in de Nederlandse taal en rekenen.

Fundamentele niveaus en streefniveaus onderwijs

Het kader bestaat uit fundamentele niveaus en streefniveaus. Het fundamentele niveau (F-niveau) is de basis die zo veel mogelijk leerlingen moeten beheersen. Het streefniveau (S-niveau) is voor leerlingen die meer aankunnen.
De F in de niveaus staat voor fundamenteel, dit is dus het basisniveau. 1F staat dan ook voor basisgebruiker. Dit is het niveau waarvan je graag wil dat ieder kind het bereikt aan het einde van het basisonderwijs. Het overgrote deel van de leerlingen (ca. 75%) moet dit niveau aan het eind van groep 8 dan ook beheersen. Daarnaast wordt er voor een kleine groep ook nog gestreefd naar het behalen van het 1S niveau, dit is het streefniveau voor het basisonderwijs en geldt voor leerlingen die nog net wat meer aan kunnen. In het basisonderwijs noemen we dit het 1S niveau, maar staat gelijk aan het 2F niveau.

Voor leerlingen in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en mbo gelden de volgende eindniveaus voor de rekentoets:

  • basisonderwijs: niveau 1F;
  • vmbo, mbo-1, mbo-2 en mbo-3: niveau 2F;
  • havo en mbo-4: niveau 3F;
  • vwo: rekenen niveau 3F en taal niveau 4F.

De referentieniveaus taal hebben 4 hoofdonderwerpen (domeinen):

  • Mondelinge taalvaardigheid (gesprek voeren, luisteren en spreken).
  • Leesvaardigheid (onder andere zakelijke en literaire teksten lezen).
  • Schrijfvaardigheid (bijvoorbeeld een opstel of sollicitatiebrief schrijven).
  • Begrippenlijst (bijvoorbeeld kennis van begrippen als klinker, zelfstandig naamwoord of spreekwoord) en taalverzorging (taal correct toepassen).

De referentieniveaus rekenen hebben 4 hoofdonderwerpen (domeinen):

  • Getallen.
  • Verhoudingen.
  • Meten en meetkunde.
  • Verbanden.

Europees referentiekader.

Naast het Nederlands referentiekader kennen we ook het Europees referentiekader. Dit referentiekader is bedoeld voor de vreemde talen. A1 en A2 staat voor basisgebruiker, B1 en B2 voor onafhankelijke gebruiker en C1 en C2 staat voor vaardig gebruiker. Dit is dus in Europa een gebruikt model om het niveau van de leerling voor een vreemde taal te bepalen. Je kan de referentiekaders dus zeker wel met elkaar vergelijken maar niet strak over elkaar neer leggen. Daarvoor zijn de talen onderling toch wel te verschillend soms.